Zesduizend vrienden
Marco Derksen - zondag 30 januari 2011, 10.32 uur 

Moet eerlijk zeggen dat ik nog maar zelden toekom aan de columns in NRC Weekblad, maar vanmorgen werd mijn aandacht getrokken door de column van Margriet Oostveen. Oostveen (1968) studeerde Nederlandse Letterkunde en was redacteur van NRC Handelsblad tot zij in 2005 naar de VS verhuisde. Sinds enkele jaren schrijft zij in NRC de wekelijkse column ‘Bericht uit Washington’. In de column ‘Zesduizend vrienden’ (pdf) wijst Oostveen op het toenemend aantal deprimerende publicaties in de VS over de invloed van computers op ons leven. Terwijl Nederland nog helemaal in de ban is van de iPad, slaat in de VS de twijfel over computergebruik toe. Zelfs optimisten als Nicholas Carr gaan om (zie ook: Hoe verandert internet je manier van denken?).
Zelf ben ik ook een optimist en ambassadeur van het gebruik van nieuwe media. Zie geweldige toepassingsmogelijkheden van nieuwe media in bijvoorbeeld het onderwijs en de gezondheidszorg. Maar steeds vaker bekruip me het gevoel dat nieuwe media ook iets ‘stuk’ maakt. Ik merk dat ik steeds minder toekom aan het lezen van boeken, het kijken van documentaires, het voeren van gesprekken tot diep in de nacht en wanneer was ook al weer de laatste keer dat ik samen met mijn dochters een bordspelletje heb gespeeld op zaterdagavond? Altijd en overal heb ik toegang tot internet en daarmee tot mijn ‘vrienden’ op Twitter, Facebook of LinkedIn. Dat zijn er inmiddels duizenden. Niet dat ik ze allemaal persoonlijk ken, maar doordat ik ze dagelijks voorbij zie komen in mijn tijdlijn is er wel een speciale band ontstaan. En in voorkomende gevallen resulteert dat ook tot prachtige ontmoetingen. Gisteren nog kwamen een kleine honderd mensen die elkaar via Twitter kennen bij elkaar voor een geweldige WinterBBQ in Park Sonsbeek.
Maar dan de column van Margriet Oostveen. Het verhaal van Erick Sheptock, een dakloze in Washington die iedere dag (net als veel andere daklozen) naar de Martin Luther King of een van de andere stadsbibliotheken trekt en in de rij gaat staan voor een paar computers. Sheptock heeft ruim vijf duizend vrienden op Facebook, bijna 1,5 duizend vrienden op Twitter en houdt zijn eigen weblog bij. Het verhaal van Erick Sheptock is inmiddels opgepakt door de Amerikaanse media zoals Washington Post en CNN. ‘s Nachts heeft Sheptock een bed in een opvanghuis en overdag loopt hij de bibliotheken met computers af en post hij zijn berichten. Hij noemt zich tegenwoordig pleitbezorger van de daklozen. Maar nergens blijkt dat mensen echt naar hem luisteren. Op de vraag “Wat hebben je Facebookvrienden intussen voor jou gedaan?” antwoordt hij zonder aarzelen “Nou, eigenlijk niets.” De column van Margriet Oostveen en het verhaal van Erick Sheptock zetten me opnieuw aan het denken.





Maar hoe zet je dat dan aan het denken? Heb jij ooit gedacht dat internet alle problemen van de wereld oplost? Dat armoede en eenzaamheid zouden verdwijnen? Internet is maar techniek, maakt dingen mogelijk. Maar die dingen hoeven daarna nog niet te gebeuren. De essentie van de mens verandert niet. De mens wordt als persoon en in zijn gedragingen niet beter of slechter door techniek. Als de een op Facebook of Twitter iets vraagt, krijgt ie antwoord. Doet een ander dat blijft antwoord uit. Er zijn voorbeelden van successen en er zijn voorbeelden van mislukkingen. Er zijn voorbeelden van hulp en er zijn voorbeelden van haat. Communicatietechniek is niks zonder de mens, en de mens is wie die is: soms goed, soms slecht. Dat blijft.